Romy Vooijs - Durf je nog te dromen? Doe het dan hardop.

36 keer bekeken

In haar essay pleit Romy Vooijs voor ruimte om te dromen én voor jongeren als volwaardige gesprekspartner. Vanuit klimaatpsychologie laat ze zien hoe de abstracte klimaatcrisis verlammend werkt en hoe jongeren met verbeeldingskracht systemen in beweging brengen.

Bio
Romy Vooijs behaalde afgelopen zomer de deeltijdmaster Klimaatpsychologie en -gedrag. Als verandermanager bij een afscheidsspecialist weet ze hoe belangrijk het is om bestaande (gedrags)patronen en structuren te doorbreken als verandering noodzakelijk is. Vooijs is van mening dat dit in de klimaatcrisis kan door andere stemmen dan die van de bestaande macht te laten gelden.
Durf je nog te dromen, doe het dan hardop. Het is een zin van een van mijn favoriete liedjes van de nederpopband Hiigo. Ik ken ze niet. Ben nog nooit bij een concert van hen geweest, maar het lijken mij toffe, nuchtere jongens uit Zwolle. De woorden komen vaak terug in mijn hoofd als ik nadenk over de klimaatcrisis. Het nummer gaat over de vergankelijkheid van het leven en over het vinden van houvast in verwarrende tijden.

 

Was ik maar naïef gebleven

De zoektocht naar houvast is wat de klimaatcrisis verlammend maakt. Want verwarrend, dat is het. Het probleem is ook niet eenvoudig uit te leggen, niet eenvoudig op te lossen, en het is niet eenvoudig om mensen er in mee te nemen als je je er zorgen over maakt. Het gaat over zoveel schijven. Hoe we wonen, reizen, spullen maken, spullen delen, energie gebruiken… Het gaat over eerlijkheid, want het mondiale noorden heeft een veel groter aandeel in het veroorzaken van het probleem dan het mondiale zuiden.

Psychologische factoren maken het probleem nog complexer. Zo is het klimaat abstract: je kunt het niet ruiken, niet proeven, niet horen. De doelen die wij onszelf gesteld hebben in 2030, 2035 en 2050 liggen ver weg, wat uitstellen verleidelijk maakt. We moeten allemaal iets doen en vaak ook voor een ander iets doen. Dus schuiven we beslissingen voor ons uit. Het Planbureau voor de Leefomgeving noemde het behalen van de klimaatdoelen in 2030 onlangs ‘heel erg klein’. Oftewel, we lopen vast.

De omvangrijkheid van het probleem kan mij zo overvallen dat ik de opkomende tranen uit mijn ogen moet wegknipperen. Soms als ik alleen ben, vaker als ik hardloop. Was ik maar naïef gebleven, denk ik weleens. Had ik mij maar niet verdiept in het probleem. Dan had ik gewoon door kunnen gaan met de orde van de dag.

De zin van hoop en perspectief

Toch is het niet alleen kommer en kwel. Want juist dat ene zinnetje in het nummer van Hiigo zorgt voor hoop en een ander perspectief. Durf je nog te dromen, doe het dan hardop. En terwijl ik verder loop door de straten van Arnhem en Schaarsbergen denk ik na over wat ik te zeggen heb. Hoe het óók kan. Langzaam droom ik weg en deze keer doe ik dat hardop. Stap voor stap naar een betere toekomst.

Want hoe ziet die toekomst eruit? Van wie is die toekomst eigenlijk? En wie beslist daar nu over? Volwassenen die zich inzetten voor een beter klimaat benoemen hun kinderen als motivator voor actie. Voor ‘toekomstige generaties’, wordt in beleidsstukken vaak geschreven. Daarom is het zo raar dat juist die toekomstige generatie zelf niet aan tafel zit. We praten wel over hun toekomst, maar zelden met hen.

Dit essay is een pleidooi voor het betrekken van jongeren als volwaardige stem in de energietransitie. Want zij kunnen vrijer dromen en deuren openen die volwassenen niet meer zien. De stem van de jongeren is de sleutel tot de toekomst die wij voor hen zeggen te willen.

De kracht van dromen

Voor ik overga naar de rol van jongeren in de energietransitie, neem ik je eerst mee in het belang van dromen. Want iedereen droomt. Soms in de slaap, soms overdag. Dromen zijn veel meer dan slechts een hersenspinsel. Ze helpen bij het verwerken van emoties en het vormen van nieuwe ideeën. Ze maken verlangens, angsten en onopgeloste vragen zichtbaar.

Toen ik mij voor dit essay ging verdiepen in dromen leerde ik waarom je nooit droomt over een effectieve vergadering waarin de agenda van ‘welkom’ tot ‘w.v.t.t.k.’ volledig wordt afgewerkt. Tijdens het slapen schakelt de prefrontale cortex namelijk een tandje terug. Deze is verantwoordelijk voor ons rationele denkvermogen, de kaders en de (ongeschreven) regels die ervoor zorgen dat de dingen die we doen ‘logisch’ zijn. Het limbische gebied, het deel van de hersenen dat verantwoordelijk is voor onze emoties, schakelt daarentegen een tandje bij. Dat verklaart waarom dromen zo vaak irrationeel en verwarrend zijn. Zoals die keer dat ik droomde over de Noord-Koreaanse dictator Kim Jong-un die in een grote kleurrijke Tony’s Chocolonely-winkel op Schiphol zijn boodschappen deed. Het sloeg nergens op, ook niet relevant voor dit essay, maar het beeld blijft leuk om te delen.

Dromen zijn niet alleen nuttig in de slaap, aldus psychologen Jarrett en Singer (1977). Ook in onze dagdromen visualiseren en verbeelden we ons naar nieuwe inzichten waarbij we dingen uitproberen zonder dat er iets op het spel staat. Hoe jonger je bent, hoe vaker je dit doet.

Maar over het algemeen is het beeld dat wij van dromers hebben er niet een van aanpakkers. Mensen die hardop dromen worden vaak afgedaan als naïef en onrealistisch. Terwijl in de context van de energietransitie dromen juist nu belangrijk zijn, maar logica, techniek en efficiëntie de boventoon voeren. Dit dominante denkkader wordt bevestigd door hoogleraar sociaal-economische transities Derk Loorbach. Hij schreef in zijn essay ‘Nieuwe paden zoeken in transitietijd’ dat het beleid van de energietransitie nog altijd wordt geleid “vanuit historische innovatielogica”. Logica is de tegenhanger van dromen. De prefrontale cortex versus het limbisch gebied. Volgens Loorbach vraagt de transitie om “nieuw soort leiderschap, onafhankelijkheid van gevestigde belangen en denkpatronen, en het vermogen om te inspireren en te mobiliseren”.

Peren uit Argentinië

En wie kunnen dat nieuwe leiderschap nu beter invullen dan jongeren? Zij beschikken van nature over het vermogen om te inspireren en om hardop te dromen. Hun prefrontale cortex, het stuk van het brein waar logica vandaan komt en wat tijdens het dromen in de slaap een tandje terugschakelt, is pas rond hun 25e levensjaar volledig ontwikkeld. Ze zitten minder vast in traditionele denkkaders en structuren, wat in de vraagstukken waar de energietransitie mee te maken heeft een strategisch voordeel is. Wat volwassenen soms afdoen als naïviteit, is in feite hun onafhankelijkheid van gevestigde belangen. Dat wat nodig is om verder te willen én durven gaan dan de generaties die nu beslissen.

Jongeren proberen, experimenteren, zijn niet bang om fouten te maken en stellen eindeloos vragen. En met al die vragen doen ze onze zelfbedachte logica soms volledig teniet. Mijn manager vertelde ooit een anekdote van hem en zijn zoontje op de markt. In een groentekraam stond bij de peren een bordje uit Argentinië. “Maar waarom zijn die dan hier?” vroeg zijn zoontje. “Argentinië is toch heel ver weg?” Tsja, geef daar maar eens een logisch antwoord op.

Terwijl volwassenen vaak vragen: hoe kunnen we dit doen, zijn jongeren vaker geneigd om de fundamentele vraag te stellen: waarom doen we dit zo? Het is een onbevangen vraag die getuigt van lef en tegelijkertijd ruimte biedt aan meer verbeelding en oog voor een ander. En ik denk dat wij precies die combinatie nodig hebben in de vastgelopen energietransitie.

Van hoe naar waarom

We spreken van een energietransitie. Of zoals een transitie-optimist zou zeggen: er zijn nogal wat uitdagingen. Niet zomaar wat uitdagingen, maar eentje waarbij pijn aan alle kanten gevoeld wordt. Een waarbij er wel richting is, maar het eindpunt nog niet even helder. En als je de transitiedeskundigen mag geloven, dan hoort dat erbij.

Online zijn er veel definities te vinden van het woord transitie, maar onderstaande uitleg vond ik het beste passen bij de opgave waar we voor staan:

Een transitie is een veranderingsproces waardoor de structuur van een systeem ingrijpend verandert als gevolg van technologische, economische, ecologische, sociaal-culturele en organisatorische ontwikkelingen. 

Het is daarom ook niet gek dat het knelt. Netcongestie, ruimtegebrek, politieke weerstand, samenwerkingen die stroef lopen… Transitiepijn, schrijft Loorbach. We willen wel anders, maar we botsen steeds harder op de grenzen van ons systeem. Het beleid focust zich op technische en economische oplossingen binnen bestaande kaders en structuren, maar de fundamentele vragen vanuit de aanjagers van de energietransitie blijven achter. De hoe-vraag wordt vaker gesteld dan de waarom-vraag.

Daarnaast heb ik ook het idee dat, in de definitie van transitie zoals hierboven beschreven, ecologische, sociaal-culturele en organisatorische ontwikkelingen in verhouding een minder grote rol spelen in het aanvliegen van de energietransitie. En uiteraard is zo’n ingrijpende verandering nooit lineair en als panelen schuiven, schuiven ze niet allemaal even hard. Maar hebben we wel echt helder dat de transitie gaat over én technologische én economische én ecologische én sociaal-culturele én organisatorische ontwikkelingen? Niet of-of, maar en-en-en-en-en.

Ruimte voor stoepranden

Een praktisch voorbeeld van oplossingen binnen bestaande kaders en structuren is de elektrificatie van ons wagenpark. We zetten massaal in op elektrische auto’s. Het technisch oplossen van het probleem. Maar daarbij accepteren we de bestaande files, de grondstofschaarste voor het maken van accu’s, om over de omstandigheden waarin die grondstoffen worden gewonnen nog maar te zwijgen. De sociaal-culturele vraag: waarom zijn we zo gehecht aan autobezit en waarom is vervoer dat makkelijk en toegankelijk van A naar B gaat voor iedereen niet ons uitgangspunt in beleid, wordt vaak nog vermeden.

Onze voor negentig procent van de tijd stilstaande auto’s nemen inmiddels zoveel plek in dat stoepranden niet meer mogelijk is. En nu hoor ik je denken: Stoepranden? Zijn er nog kinderen die aan stoepranden doen? Het antwoord is nee. Maar dat komt niet omdat stoepranden niet leuk genoeg is. Jij hebt het waarschijnlijk ook ooit gedaan. Er wordt niet meer gestoeprand omdat er geen stoeprand meer over is om te stoepranden. En ja, het klopt dat dit niet per se door het elektrificeren van deze auto’s komt.

Maar als het dan toch vastloopt en anders moet, dan is dit het moment om stoepranden centraal te stellen in het beleid. In 2020 vroeg de Brabantse Milieufederatie jongeren om hun mening over de energietransitie. 850 deelnemers swipeten zich door verschillende klimaatdilemma’s heen. Zij stonden open voor het delen van een auto in plaats van het bezit ervan. En wat ze vooral niet wilden was wachten op technologische oplossingen. Het initiatief stemde mij hoopvol. Er werd gevraagd naar de mening van jongeren, maar in de zoektocht naar wat er met hun mening uiteindelijk in de besluitvorming is gedaan kon ik helaas niets terugvinden.

De generatie die de gevolgen voelt, maar niet gehoord wordt

Het is een ondervinding die niet op zichzelf staat. In 2021 deed de onderzoeksgroep van Caroline Hickman onderzoek naar de gedachten en gevoelens over klimaatverandering van jongeren tussen de 16 en 25 jaar in 10 verschillende landen. 84% maakte zich minstens gematigd zorgen, 59% was zelfs erg of extreem bezorgd. Het onderzoek liet zien dat de jongeren bereid zijn tot meer gedragsverandering en systeemkritiek. Ze willen meer doen en zijn bereid tot vergaande maatregelen. Ook als dat privileges van hen afneemt. Maar in datzelfde onderzoek kwam ook naar voren dat deze groep zich niet gehoord voelt door volwassenen en beleidsmakers.

Ook in Nederland klinkt dit geluid. In de meest recente publicatie van het jongerenadvies van UNICEF Nederland gaven jongeren politici een 4,4. Ze voelen zich niet gehoord. In het voorwoord van het rapport haalt directeur Suzanne Laszlo aan: “Als we willen dat beleid ook voor hen werkt, dan moeten we kinderen en jongeren niet alleen zien als doelgroep, maar ook als gesprekspartner.”

Jongeren zijn dus bezorgd, maar voelen zich niet gehoord. Maar waarom is die stem van jongeren dan zó belangrijk om verder te komen in de energietransitie? Enerzijds omdat zij niet vastzitten in bestaande structuren en belangen. Omdat ze verder willen en durven te gaan dan volwassenen. Maar de sleutel van voortgang ligt in het dromen. Zij zijn de experts in het creëren van een beweging simpelweg door het delen van hun dromen.

De beweging van hardop dromen

Dat kunnen we in de energietransitie, en breder in de klimaatcrisis, wel gebruiken, want praten over ons duurzame gedrag doen we liever niet, laat onderzoek van Jones en Niemiec (2023) zien. Veel mensen vertonen duurzaam gedrag, maar slechts 20% probeert om anderen in dat verhaal mee te nemen. We zijn bang om weggezet te worden als moralistisch en vervolgens aangesproken te worden op alles wat we nog niet duurzaam doen, terwijl juist het hardop uitspreken van de droom een eerste stap is om de werkelijkheid te veranderen.

Een van de grootste klimaatbewegingen ooit werd gestart door een Zweedse middelbare scholiere: Greta Thunberg. Op 20 augustus 2018 besloot ze elke schooldag te staken tot de parlementsverkiezingen op 9 september. Met haar bord ‘Skolstrejk för klimatet’ (schoolstaking voor het klimaat) vroeg ze aandacht voor de klimaatcrisis, want waarom zou zij studeren voor een toekomst die gestolen wordt? Na de verkiezingen bleef Thunberg elke vrijdag staken en zo was Fridays For Future geboren. Jongeren in Australië volgden haar voorbeeld. De Australische premier Scott Morrison nam de jongeren in eerste instantie niet heel serieus. Hij zei dat ze zich meer moesten bezighouden met leren in school en minder met activisme. Uiteindelijk gingen miljoenen jongeren over heel de wereld de straat op om te eisen dat volwassenen hun verantwoordelijkheid nemen. Zij kregen de politiek, beleidsmakers, media in beweging. Door onbevangen uit te dragen wat iedereen eigenlijk al wist: dit kan zo niet langer. Ineens waren klimaat en duurzaamheid begrippen.

Greta Thunberg is inmiddels een wereldwijde bekendheid. Met voorstanders, maar ook een hoop tegenstanders. Niet iedereen kan zich vinden in haar werkwijze. Maar Greta Thunberg is niet de enige jongere die zich inzet voor een betere wereld. Toen ik nadacht over de vraag: wie zijn de boegbeelden die dromen over een betere wereld, waren het vooral jongeren die mij te binnen schoten. Boyan Slat was 17 jaar toen hij met zijn profielwerkstuk The Ocean Cleanup bedacht. Jessica den Outer, de schrijfster van het boek Rechten voor de Natuur, schreef dit jaar een prachtige Duurzame Troonrede met de titel Dromen, durven én doen: de Rechten van de Natuur. Hierin spreekt ze over de kracht van verbeelding. De kriebel in de buik die de droom veroorzaakt. De kriebel die moet worden omgezet naar lef om de verbeelding te realiseren. Maartje Bregman brengt positief klimaatnieuws met haar magazine en radioshow Happy Times. Den Outer en Bregman zijn allebei onder de dertig. Slat is de dertig net gepasseerd. Zij begonnen allemaal met een droom en deelden deze hardop. Er zijn vast mensen geweest die, terwijl zij hun droom deelden, dachten: een beetje naïef. Maar als je ziet wat al deze dromen teweeg hebben gebracht, dan denk ik dat de naïviteit niet opweegt tegen de enorme impact die deze jongeren hebben gemaakt en vandaag de dag nog steeds maken.

Van hoe het niet moet naar hoe dan wel

Tot dusver heeft mijn pleidooi hopelijk genoeg argumenten, inspiratie en voorbeelden gegeven waarom de droom en de stem van jongeren essentieel is om de energietransitie vooruit te helpen. Maar hoe integreer je deze dromen en de stem van jongeren? Of misschien is het beter om eerst in te gaan op: hoe doe je dat vooral niet?

Participatieprocessen zijn goed ingeburgerd in de energietransitie, maar jongeren betrekken is moeilijk. De weg naar inloopavonden en vergaderzaaltjes staat mijlenver af van de belevingswereld van jongeren. Koffie en thee uit thermoskannen, een

ongemakkelijk voorstelrondje en een agenda opgesteld door de projectleider die vaker uitmondt in het, met een iets te luid volume, delen van meningen in plaats van het voeren van een dialoog. Geen jongere die hier warm van wordt. Laat staan dat ze vrijwillig aansluiten op een doordeweekse avond als het alternatief sporten, geld verdienen of netflixen is. Aansluiten bij de belevingswereld van jongeren is dus een voorwaarde om hen over de streep te trekken en wel hun stem te laten horen. Geen saaie vergaderzaal, maar een omgeving waar zij zich thuis voelen. Op school, in het park, de sporthal. Genoeg mogelijkheden, maar een vergaderzaal is er wat mij betreft geen.

Als jongeren dan de weg naar participatie hebben gevonden is de grootste valkuil schijnparticipatie, schrijft het Nederlands Jeugdinstituut op zijn website. Het lijkt erop dat ze mee mogen praten, maar als je echt goed kijkt dan blijkt dat helemaal niet zo te zijn. Omdat hun stem niet wordt meegewogen in de beslissing, ze worden ingezet om de acties mooier te maken of ze worden eigenlijk niet goed worden geïnformeerd over het achterliggende doel of de activiteiten.

Er zijn gelukkig ook een hoop goede voorbeelden van jongeren die wel worden betrokken bij advies- of besluitvorming. Voor het Nationaal Burgerberaad Klimaat werd een doorsnee van de maatschappij uitgenodigd, dus waren er ook jongeren van tussen de 18 en 25 jaar deelnemer. Daarnaast organiseerde het samen met UNICEF een speciale kindertop waarbij kinderen werd gevraagd om hun input. Het adviesrapport wordt binnenkort overhandigd aan de politiek. Het is aan hen of dit advies een vorm van participatie of van schijnparticipatie was.

Gelukkig ziet de Regionale Energiestrategie zelf de jongeren ook als belangrijke stem. Ik kreeg voor het schrijven van dit essay de tip om te zoeken naar JongRES. Na het bezoeken van de website, met de laatste nieuwsberichten uit 2023, was ik even bang dat het initiatief een vroege dood gestorven was. Maar via de LinkedInpagina van de actieve jongerenbeweging uit Groningen bleek het tegendeel waar. JongRES leeft. Misschien zijn niet alle dertig regio’s even zichtbaar, maar de beweging is er wel degelijk.

Veel bedrijven hebben iets wat lijkt op JongRES. Een plek, een naam, een comité waar gelijkgestemden, in dit geval gebaseerd op hun leeftijd, samenkomen om ervaringen uit te wisselen. Vaak geïnitieerd door HR. Zij geloven dat een jongerentak binnen de organisatie voor meer werkplezier zorgt, waardoor talent wordt behouden. De board stemt daar vaak mee in, want waarom zou je tegen het verhogen van het werkplezier en behouden van talent zijn? Dat is een goede eerste stap, maar in het initiatief wordt vaak niet gesproken over borging en verankering van hun stem.

Dromen met mandaat

Op LinkedIn volg ik bestuursadviseur Mildred Hofkes. Zij kwam een paar maanden geleden met een nieuw initiatief. Zij bepleit dat 25% van de bedrijven in Nederland met meer dan vijftig medewerkers een Young Board mét mandaat moet hebben. Want jonge medewerkers worden vaak wel aangehoord, maar niet gehoord. Het heeft wat weg van schijnparticipatie. Wel vragen om inbreng, maar zelden heeft die inbreng echte consequenties, aldus Hofkes. Een Young Board moet niet alleen ideeën aandragen, maar hun mandaat moet formeel verankerd worden in de besluitvorming van de organisatie. Het gaat een stap verder dan de manier waarop de meeste jongerenraden nu zijn ingekleed. Waar Hofkes spreekt over een oprekbare leeftijd van 35 jaar, zou ik zeggen dat je juist moet inzetten op jonger. Maximaal 25 jaar. Juist omdat dan het vermogen om te dromen nog zo groot is.

Ik vind het een mooi idee, een Young Board. Het sluit naadloos aan op het écht een plek geven aan de stem van jongeren in de energietransitie. Om jongeren te laten dromen, maar ook de beleidsmakers en beleidsbepalers uit te dagen om met hen mee te dromen. Het zou een mooie doorontwikkeling van de JongRES-beweging kunnen zijn. Of een Young Board voor gemeentes, provincies, netbeheerders, energiecoöperaties. Een stem die beweging brengt in de energietransitie door de verbeelding van dromen te gebruiken.

Ik ben benieuwd hoe de stem van jongeren klinkt in het probleem van netcongestie. Veel regio’s lopen er op vast: er is te veel vraag en aanbod van stroom op piekmomenten voor het huidige elektriciteitsnetwerk. Veel van de huidige oplossingen gaan over het verstevigen van de infrastructuur. Meer kabels en meer stations om de vraag en het aanbod op te kunnen vangen. Het is gestuurd op meer, meer, meer. Een fundamentele waarom-vraag zou hier verfrissend kunnen werken: waarom is ons systeem ingericht op piekbelasting, kan dat niet anders? Bekeken vanuit alle kanten van het transitieperspectief: technisch, economisch, ecologisch, sociaal-cultureel en organisatorisch? Ik ben benieuwd hoe die droom eruitziet.

Of hoe jongeren beweging kunnen krijgen in het vraagstuk dat gaat over gebrek aan ruimte. Hoe kan duurzame energie een plek krijgen waarbij er ook ruimte is om te leven, te spelen, te stoepranden? Worden er dan nog steeds dezelfde keuzes gemaakt? Door de netbeheerders, door de gemeente, door de landelijke politiek?

Stel je voor dat groepen zoals JongRES zo’n rol kunnen vertegenwoordigen. Dat we hun kennis en hun adviezen kunnen gebruiken om de stem van de toekomstige generatie te vertegenwoordigen. Hofkes noemt ze ‘bestuurs-fluisteraars’: jonge mensen die helpen om blinde vlekken te zien en dichte deuren te openen. Ze houden ons een spiegel voor die de beweging creëert die de energietransitie nodig heeft.

Overigens bestaan er ook methodes om als ervaren professional mee te denken met de toekomstige generaties. Ik kwam ermee in aanraking door Aniek Moonen. Zij vertelde het verhaal over Japanse onderzoekers die zich afvroegen hoe de wereld eruit zou zien als toekomstige generaties zelf konden beslissen. Het resultaat was niet mis: als toekomstige generaties mogen meepraten, dan maakt de huidige generatie slimmere en ambitieuzere langetermijnkeuzes.

De onderzoekers zetten het om in een methode genaamd Future Design. Moonen heeft het principe inmiddels naar Nederland gehaald. Samen met haar compagnons laat ze bedrijven, organisaties en overheden vertragen om te zien welke mogelijkheden er zijn. Nu nog zonder de stem van jongeren, maar ik ben benieuwd wat er gebeurt als bij het in de praktijk brengen van deze methode ook jongeren aan de tafel worden gezet. Of als je ervaren bestuurders en Young Boards samen deze methode laat ondergaan.

Mijn oproep aan jou

Dromen blijven dromen, zolang je ze niet deelt. Sifan Hassan rende de marathon in haar eentje, maar zonder het team om haar heen had ze nooit gewonnen. Haar hardop uitgesproken droom werd gedragen door anderen die met haar meedroomden. Het was de sleutel tot succes.

De energietransitie is onze gezamenlijke marathon. We halen de finish niet als we niet luisteren naar de stem van de generatie die het meeste last heeft van de gevolgen ervan. We hebben hun dromen nodig om nieuw perspectief te geven en beweging te krijgen in dat wat écht belangrijk is. Niet alleen verhalen over daken vol zonnepanelen, windmolens op zee, een accu op de oprit en auto’s aan laadpalen, maar verhalen over straten waar je kunt spelen, kunt stoepranden, waar buren elkaar ontmoeten, waar energie ontstaat en gedeeld wordt. Is het een verhaal van naïviteit of is het er juist een van onderbewust verlangen?

Voor jou als professional in de energietransitie ligt hier een belangrijke taak. Jij kan namelijk de poortwachter zijn die deze dromen faciliteert. Een nederige taak, maar dat maakt het niet minder belangrijk. Want door jouw inzet praten we niet alleen meer over de toekomstige generatie, maar praten we met hen. Dat betekent:

  • Neem jongeren serieus. Zie hun naïviteit als kracht, hun dromen als een beweging waar je op mee kunt liften.
  • Betrek jongeren bij besluitvorming in vormen die bij hun belevingswereld passen. Geen vergaderkamers, maar plekken, vormen en manieren die hen, maar ook jou aan het denken zetten.
  • Veranker hun inbreng structureel in de organisatie.
  • Luister open, geef ruimte voor het waarom en doe bij weerstand een stap terug en stel de waarom-vraag aan jezelf.

Laat dit essay een uitnodiging zijn om andere stemmen te horen en om dromen te delen in een verwarrende tijd. Voor mij was het dat in ieder geval wel. Het voelt goed om hardop te dromen. Dat is ook precies wat Hiigo in het nummer deelt. Want terwijl het nummer op zijn einde loopt en het mantra ‘durf je nog te dromen, doe het dan hardop’ zich inmiddels in mijn hoofd nestelt, herhaalt de titel zich een keer of vier. Het komt wel goed.

 


Geraadpleegde bronnen

Afbeeldingen

Registreren

Cookie-instellingen